Lees hier deel 1, deel 2 en deel 3 en ook een update die ik op 20 november al plaatste.
27 november
Het is bijna niet uit te leggen, ik weet niet hoe ik woorden moet vinden om te omschrijven hoe dit voelt.
‘Moeheid’ dekt de lading niet. Het is vermoeidheid, maar dan tot in de kern. Alsof er in geen enkele cel dan ook nog maar energie te vinden is. Slapen geeft geen energie, eten geeft geen extra kracht.
Ieder stukje dat ik probeer te lopen is een kwelling.
De druk in mijn borst zou niet misstaan bij een hartinfarct en voor mijn gevoel is door de hartkloppingen mijn pols bijna niet te tellen. Door mijn hele lijf heen voel ik het bonzen van mijn hart. Het bloed suist in mijn oren. Alsof ik de marathon heb gelopen. In plaats daarvan ben ik vanaf mijn bed naar de keuken gelopen.
Ik weet niet waar ik goed aan doe: het uiterste van mezelf vragen door een paar keer per dag wel dat stukje te lopen in de hoop dat ik steeds meer kan? Of ga ik dan te ver en maak ik het erger? Waar ligt die balans?
Er is (nog) geen revalidatieprogramma waar ik aan mee kan doen.
De fysiotherapeut die ik in het ziekenhuis sprak zei dat ik de neiging heb over de grens te gaan en dat ik daarvoor op moet passen. Maar wat is die grens? Het kan toch niet zo zijn dat ik alleen maar in bed kan liggen? Dan maak ik het toch erger?
Het is wachten op alle afspraken in het ziekenhuis. Er staan longfunctieonderzoeken, scans en ECG’s gepland. Pas daarna wordt er gekeken in welk revalidatieprogramma ik pas. Zoiets. Als ik het goed heb onthouden. Want ook dat is nog steeds een ramp. Ooit, voor mijn gevoel een jaar geleden, was ik scherp, onthield ik alles, had ik altijd een plan. Dat is weg. De enorme stapel watten in mijn hoofd is voor het grootste gedeelte weg maar heeft bij zijn vertrek mijn hersens meegenomen.
De tekst gaat verder onder de afbeelding
3 december
Ik leef weer bijna in het ziekenhuis. Maar poliklinisch dit keer. Het lukt niet om afspraken achter elkaar te plannen, er is geen ruimte in de agenda’s en dus rijd ik zo’n beetje dagelijks op en neer. Of beter gezegd: ik laat me rijden. Zelf rijden gaat nog niet. Zelf lopen naar de poli’s ook niet.
De longpoli waar ik vandaag een afspraak heb is een beetje aan het begin van het ziekenhuis. Vanuit de wachtruimte heb ik precies zicht op de ingang waar de vrijwilligers staan. Ze vragen naar Coronagerelateerde klachten en herinneren mensen eraan dat in het ziekenhuis een mondkapje gedragen moet worden.
Ze krijgen veel boze blikken te verduren. Soms ook boze woorden.
Ik zie mensen die een mondkapje opzetten en zodra ze voorbij de ingang zijn hem weer afzetten.
Er komt een oudere vrouw achter een rollator de wachtruimte binnen waar ik zit. Ik zag haar net al sputteren (en hoesten) bij de ingang. Voor de balie trekt ze haar mondkapje omlaag, hoest eens flink (nee, niet in een elleboog, maar fijn de vrije ruimte in!) en begint dan op hoge toon tegen de assistente aan de balie te verkondigen dat het niet kan dat een ziekenhuis vraagt een mondkapje op te zetten.
Ik zie de vermoeide ogen van mijn collega. Niet echt mijn collega natuurlijk, maar ik voel me verbonden.
Of je nou een voorstander bent van het dragen van een mondkapje of niet, lelijk doen tegen de assistente gaat geen verschil maken. Sterker nog, als je bang bent zuurstof tekort te komen door die dingen gaat schreeuwen dat zéker niet beter maken. Dat zeg ik niet natuurlijk. De doktersassistente zegt het ook niet. Misschien denkt ze het wel, ik in ieder geval wel!
Ik lees graag je reactie op deze blog!
Groet en liefs, Eveline

Zo te lezen is het momenteel regelmatig een hondenbaan om in het ziekenhuis te werken. Ik begrijp die protesterende mensen niet. En wat jezelf betreft Eveline, het had jou ook goed te pakken zo te lezen. Ik hoop dat je weer snel opknapt en weer kan gaan werken. Maar wel voorzichtig hè.